Meer dan 200 jaar geleden ging het beroemde Engelse oorlogsschip ‘Lutine’ ten onder in de Terschellinger gronden

SML jaargang 20. № 1999-2

De ‘Lutine’ werd in 1779 te Toulon te water gelaten als het Franse fregat ‘La Lutine’ (vrij vertaal de kwelduivel). Het schip was toen uitgerust met 26 kanonnen.

In 1793 kwam het schip in Engelse handen bij de overgave van Toulon, samen met nog 15 andere Franse schepen. De Engelsen brachten het naar Engeland en herdoopten het tot ‘The Lutine’.
In oktober 1799 vertrok het schip uit Yarmouth met bestemming Hamburg om daar een enorme hoeveelheid goud en zilver af te leveren ter ondersteuning van Hamburger kooplieden die in een crisis verkeerden. Engeland leverde toen enorme hoeveelheden linnen, katoenprodukten en garens en deze lukratieve handel stagneerde wegens gebrek aan contanten. Dit geld zou Hamburg nooit bereiken, omdat de ‘Lutine’ in de nacht van 9 oktober 1799 verging bij het IJzergat in de Terschellinger Gronden. Hierna bleef de ‘Lutine’ wereldnieuws door de vele, meest vergeefse bergingspogingen. In 200 jaar werden er vermoedelijk 104 goudstaven van 5.5 kg en 98 zilverstaven van 25.5 kg geborgen en ruim 60.000 gouden en zilveren munten.

De verschillende bergingspogingen:

Lutine Brief

1800 – 1801 Hendrik Blom c.s.
Burgemeester Robbé krijgt van de Domeinen vergunning om de lading te bergen. Hij gaat in zee met een aantal Terschellingers waarvan één der belangrijkste Hendrik Blom is, die tevens een ‘kaperbrief’ had voor zijn kaperschip ‘de Wreker’. Een andere Terschellinger berger was J. van Keulen. Later was men nog gedwongen om samen te werken met een 20-tal Urker bergers. Met behulp van tangen en netten aan lange stokken werden 58 goudstaven en 38 zilverstaven geborgen en een enorme hoeveelheid zilveren Spaanse matten en gouden ‘Louis d’Or’.

1814 – Pierre Eschauzier
Onder leiding van burgemeester Pierre Eschauzier gaat men met tangen, knijpers en beugels opnieuw aan het werk. Het resultaat valt zwaar tegen, 8 gouden en 7 zilveren munten. De ‘Lutine’ raakt onder het zand.

1822 – Pierre Eschauzier
Deze richt bij notaris Wijma in Harlingen de ‘Onderneming op de Lutine’ op. Deelnemers zijn, behalve Eschauzier, de Terschellingers Redeker, Ruygh, Zylemaker, Rotgans en ds. Van Kammen. De ‘Onderneming’ geeft aandelen uit en er wordt in Engeland een duikklok aangekocht die aan boord komt van een aangekochte schoener, de ‘Duiker’. Duikdirekteur wordt de Engelsman Cruso. Als klokduikers worden F. Vuurder en P. van der Meulen genoemd. Met de duikklok wordt niets geborgen.

1823 – de gebroeders Bell uit Whitstable
In 1823 sluiten Eschauzier c.s. een contract af met beroemde Engelse bergers uit Whitstable. Zij komen met vijf bergingsvaartuigen en gaan aan het werk op de oude manier, met tangen en beugels. Resultaat nihil. Tevens wordt er doorgewerkt met de duikklok. In 1829 wordt de duikklok verkocht aan de Koninklijke Marine en wordt het werk gestaakt.

1834 – opnieuw de gebroeders Bell
In 1834 ontdekt men dat de ‘Lutine’ weer bloot ligt. De Engelsen komen terug, nu met ‘a newly invented diving machine’. Kort daarvoor hebben de gebroeders Deane in Whitstable het helmduiken uitgevonden. Met deze nieuwe uitvinding zal men nu wel even het goud boven halen. Na 12 reizen naar het wrak keren de Engelsen teleurgesteld terug naar hun land.

1835 – John Bethel uit Londen
Een jaar later komt John Bethel uit Engeland met twee helmduikers en een verbeterd helmduikapparaat. Deze duikers durven echter niet op het wrak af te dalen, omdat ze alleen in binnenwater gedoken hebben. Zij keren onverrichterzake terug.

1843 – Jan van Geuns, fabrikant van veerkrachtige gom
De eerste Nederlanderse helmduikers komen in 1843. Ze staan onder leiding van Jan van Geuns uit Haarlem, die daar een fabriek heeft waarin o.a. rubber slangen gemaakt worden. Hij maakt ook duikpakken voor de Nederlandse marine. Na één seizoen is zijn geld op en teleurgesteld keert Van Geuns terug. Hij is in 1848 meer succesvol bij de berging van een lading spoorrails uit het wrak van de ‘Wilhelm’ die bij Terschelling gezonken is.

1857 – ir. Taurel en de Egmonder helmduikers
In 1857 wordt bij toeval ontdekt dat het wrak bloot ligt. De ‘Onderneming op de Lutine’ gaat een contract aan met ir. Taurel uit Kampen. Deze neemt 4 Egmonder helmduikers in dienst. In de jaren 1857 tot 1860 slagen ze erin 41 goudstaven, 64 zilverstaven en 15.350 gouden en zilveren munten te bergen. De meest opzienbarende vondst is echter de beroemde bel van het schip die nog steeds in het grote kantoor van Lloyds in Londen een ereplaats in neemt.

De Hollandsche duiker

1860 – de ‘Hollandsche Duiker’
In 1860 beëindigen de Egmonders hun zeer lukratieve duikwerk. Taurel heeft intussen een duikschip laten bouwen met daarop een 3 ton zware ijzeren duikklok. Als klokduikers komen Willem Lieman en Siebren Dijker in dienst. Kapitein op de ‘Hollandsche Duiker’ wordt Pieter Teunis Krul. Tot aan 1862 wordt er vele malen met de klok gedoken, maar goud komt er niet meer boven. Als de aandeelhouders er geen brood meer in zien wordt deze poging gestaakt en in 1865 wordt het duikschip verkocht.

1867 – Willem Hendrik Ter Meulen en de ‘zandduiker’
Willem Hendrik Ter Meulen uit Bodegraven komt op het eiland met het bergingsvaartuig ‘de Antagonist’. Met een krachtige waterpomp kan hij een installatie vijf meter het zand inspuiten waarna een met ruim 200 kilo lood verzwaarde helmduiker in het gat af kon dalen om zo bij de schatten te komen. Er moet echter voldoende water boven het wrak staan en Ter Meulen begint een jarenlange ‘Wacht op de Lutine’ zonder ooit in de gelegenheid te zijn op het wrak te werken.

1885 – de schelpenzuigers ‘Friesland’ en ‘de Tijd’
In 1885 wordt Ter Meulen gedwongen tot een samenwerking met twee schelpenzuigers van Dros op Texel en Maas in Makkum. Deze zuigers halen veel vondsten boven water, waaronder veel gouden en zilveren munten. Goudstaven komen echter niet tevoorschijn. In 1891 stoppen de zuigers het hopeloze werk. Ter Meulen is echter nog steeds overtuigd van zijn zandduiker en probeert het contract met de ‘Onderneming’ te verlengen. In 1893 wordt zijn contract opgezegd.

1893 – ‘The Lutine Syndicate’
Dan verschijnen er weer Engelsen boven het wrak. Het zijn de heren Kinipple uit Brighton en de ingenieur John Fletcher. Vijf jaar lang werken zij op het wrak. Ze leggen van zandzakken een ring rond het wrak, later slaan ze er eiken palen omheen om vervolgens daarbinnen met schelpenzuigers en helmduikers aan het werk te gaan. Het wordt een groot fiasco. Veel geld armer en veel illusies rijker keren ze vijf jaar later naar Engeland terug.

1900 – ‘The New Lutine Company’
Kinipple was een vermogend man en in 1900 komt hij terug. Deze keer wil hij met stoombaggermolens en de gebruikelijke helmduikers aan het werk. Er kan weer ingetekend worden op aandelen, maar daarvoor is weinig belangstelling. 10 jaar “work for nothing, but well paid” verklaren de duikers.

1910 – de ‘National Salvage Company’
In 1910 gaat Kinipple in zee met de ‘National Salvage Company’ en op Terschelling arriveert het enorme bergingsvaartuig de ‘Lyons’. Met haar zeer krachtige zuigpompen worden enorme hoeveelheden zand verplaatst en vele voorwerpen worden geborgen, waaronder twee enorme stokankers en een groot aantal kanonnen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moet de ‘Lyons’ het bergingswerk echter staken en hiermee is het tijdperk van de Engelse bergers voorgoed voorbij.

Van Hecking Colenbrander en Van der Wallen

1924 – 1925 Van Hecking Colenbrander en Van der Wallen met de ‘kolengrijper’
In 1923 krijgen twee studenten uit Delft een concessie om de schatten te bergen. Ze hebben een soort kolengrijper voorzien van persslangen waardoor water geperst wordt. Deze grijper kan vele meters in het zand neergelaten worden. De installatie wordt aan boord van de sleepboot ‘Stortemelk’ opgetuigd en men doet enkele vergeefse pogingen waarbij slechts wat roest en oud hout boven komt.

1928 – Doeksen van Terschelling en Dros van Texel slaan de handen ineen
Nu is het de beurt aan doorknede bergers van de eilanden. Zij gaan met de schelpenzuigers ‘Texel’ en ‘Volharding’ aan het werk. Vijf jaar lang zijn ze bezig en ze ondervinden veel tegenslagen, vooral door slecht weer. Doeksen en Dros betalen een deel der onkosten uit eigen zak, maar een groot deel wordt ook deze keer weer betaald door aandeelhouders die in de rij staan om deel te nemen aan deze lukratieve zaak. De zuigers halen vele wrakstukken boven water. De haven ligt vol spanten, kanonnen, kogels en andere wrakdelen. Enkele munten komen boven water. Vijf jaar later komt er een eind aan deze berging.

1933 – Beckers, het goudmannetje
In 1933 komt er een charmante heer op Terschelling. Het is Frans Beckers, een moutfabrikant uit Gennep. Hij heeft een toren laten bouwen in de vorm van een grote lampekap. Deze wordt boven het wrak afgezonken en er bovenop komen twee cilinders met daarin een zuiginstallatie. Het is de bedoeling dat de toren door de zandlaag heen op de kleilaag terecht komt. Het zand kan dan weggepompt worden en duikers kunnen de schat dan oprapen. De geklonken toren is echter niet bestand tegen de zware zeegang op de Terschellinger gronden en wordt geheel vernield. Beckers laat Doeksen en Dros intussen doorwerken met de schelpenzuigers.

1934 – de tweede toren van Beckers
In de winter van 1934 laat Beckers een nieuwe toren bouwen, deze keer geheel gelast. Doeksen en Dros voeren intussen nog steeds veel wrakstukken aan op Terschelling. Pas in september wordt de toren geplaatst. De gehele winter is het gevaarte bestand tegen de stormen en in mei 1935 begint men met frisse moed in de toren te werken. De 6e juni 1935 komt de Terschellinger duiker Jan de Beer echter bij een duikongeval om het leven en van dat ogenblik af is het enthousiasme van Beckers c.s. voorbij. In september wil men de toren verplaatsen, maar deze staat muurvast in het zand en hij zal daar nog enige tijd blijven staan.

http://js.vpro.nl/embed/player/?id=WO_VPRO_133819&profile=geschiedenis&sharing=1

1938 – de ‘Karimata’ grootste tinbaggermolen ter wereld
In 1938 krijgt de Mij. Billiton van Lloyd’s vergunning om haar splinternieuwe baggermolen ‘Karimata’ op het wrak uit te proberen. Hoewel de baggermolen geen enkele moeite heeft om de tweede toren van Beckers in grote stukken boven water te halen, is het resultaat gering. Er komen wat wrakstukken boven water, veel koperen spijkers en wat munten en uiteindelijk, op 29 juli gaan de vlaggen van de schepen in top als er een goudstaaf op de zeef blijft liggen. De volgende dag wordt er nog een gouden munt geborgen en een drietal kanonnen. Hier blijft het echter bij en 12 september 1938 stopt Billiton het werk. Een stuk terrein zo groot als een voetbalveld is afgegraven tot een diepte van 20 meter. Het goud is op!

Karimata-terschelling


1980 – de ‘Yak’ en de ‘prop wash’

In 1981 verschijnt het grote bergingsvaartuig ‘Yak’ op Terschelling. Een op de Kanaaleilanden gevormd Syndicate heeft nu vergunning en heeft een paar miljoen dollar ter beschikking van verschillende aandeelhouders. Het duikwerk staat onder leiding van Kelly Tarlton, een bekende schatgraver uit Nieuw Zeeland die daar al verschillende schatten opgedoken heeft. Achter de schroeven van de ‘Yak’ kan men twee enorme kokers laten zakken die het schroefwater naar beneden afbuigen om zodoende grote gaten in het zand te blazen. Dit noemt men de ‘prop wash’. Behalve veel publiciteit en wat wrakhout van andere schepen levert ook deze poging niets op. Als het geld op is keert men terug naar Nieuw Zeeland.

1990 – Ane Duijf
De van Terschelling afkomstige tandarts uit Harlingen gaat aan het werk. Hij komt met een nieuwe theorie. Waarschijnlijk is het achterschip van het wrak afgebroken en vele honderden meters verder uiteindelijk gezonken. Dit bergingswerk is nog steeds in volle gang. Duijf werkt ook met schelpenzuigers en heeft inmiddels zeer veel voorwerpen boven water gehaald. Maar omdat we een ‘broedende kip’ niet mogen storen wachten we met belangstelling de uitkomst van deze laatste poging af.