Een zomer op Griend

Door Els Smit. Uit SML jaargang 25 № 2. 2004

Tijdens de kersttentoonstelling (2004) was er een grote verzameling speelgoed van vroeger, waaruit al bleek dat de kinderen toen op Terschelling tevreden waren met eenvoudige zaken, zeker de kinderen uit de niet zo rijke families uit de Frethoek. Maar hoe zat het met de zomervakantie? Er zullen kinderen geweest zijn die dan naar familie aan de vaste wal gingen of ze kregen ooms en tantes, neefjes en nichtjes te logeren, die meestal ook van Terschelling kwamen. Er was natuurlijk in het duin en op het strand van alles te beleven. Maar onlangs hoorde ik een vakantiebestemming die wel heel erg bijzonder was: een Terschellinger vissersfamilie die in de zomer een paar weken met z’n allen naar Griend ging!

Een vissersleven

Pieter Arjen Lettinga, de vader van Eelke en stamvader van vele Terschellinger Lettinga’s (foto van Lieuwe Kaspers naar een olieverfschilderij door Evert van Urk in het Visserijmuseum)

Eelke Lettinga uit de Boomstraat, nu 80 jaar oud, was de jongste van Pieter Arjen Lettinga, geb. 1879, en Aaltje Wiegman, die woonden in de Westerbuurtstraat 43. Het was een groot gezin met elf kinderen, zes meisjes en vijf jongens, zodat Eelke nu op het eiland talloze oomzeggers heeft. Vader Pieter Arjen, van wie een prachtig portret hangt in het visserijmuseum van Harry en Geesje Lettinga, voer in zijn jonge jaren op de loggers. In het boek daarover van Meindert Schroor vonden we dat hij vanaf 1899 tot 1908 zeven reizen meeging vanuit Vlaardingen, Maassluis en Emden. Volgens het Visserijboek van Pieter van Leunen was hij vóór 1917 schipper van de blazer TS 19, de Vrouw Aaltje (dus dat kan niet missen), een schip voor zee- en kustvisserij met een driekoppige bemanning. Later, in 1927, kocht hij de TS 39. Dit schip, een aak, was in 1891 gebouwd op de werf van Krul voor H. van Leunen en kreeg de naam Drie Gezusters, vanaf 1920 Drie Gebroeders met schipper Steven Wiegman. Ze visten met een bemanning van vier op rog en schelpdieren.

Met deze TS 39 ging dus de familie Lettinga een vakantiereis maken met bestemming Griend.

Geschiedenis van Griend

Griend was in die tijd, zo lezen wij in het boek over Griend uit 1950, met bijdragen van onder andere wijlen Wouter van Dieren, een eiland met een lange historie. In de Middeleeuwen was het een vrij groot eiland met een stadje en men spreekt ook van een kloosterschool. Op 14 december 1287 werd dit stadje verwoest door de St. Luciavloed en er waren nog geen tien huizen over. In 1399 was het 165 ha groot. In het midden van de 16de eeuw was het een groot eiland met drie woonheuvels ‘vier Huysen, 25 hoornbeesten ende omtrent 300 schaepen, wordt ooc tvoorsz eylandt vande see merckelyck affgespoelt’. Van de beroemde Griendse kaas wordt voor het eerst melding gemaakt in 1588. In 1720 stond er nog één huis, in 1725 kwam er alleen ’s zomers een boer. Vanaf 1794 was er geen behuizing meer. Het grasgewas wordt na 1800 geregeld verpacht: vanaf 1806 tot 1811 was Reinier G. Doeksen van Kaart voor elf gulden ’s jaars pachter en die bracht er zijn schapen naar toe. In 1869 komt er voor het eerst wetenschappelijke belangstelling voor Griend door een bezoek van de bekende botanicus Holkema (de ontdekker van de cranberry). Deze schatte het oppervlak op 40 ha, met een zandwal in het westen, met neiging tot echte duinvorming, waarop een groot aantal vuurstenen en grind werd aangetroffen, daarachter een grasrijke kwelder. Er wordt niet over een Zwin gesproken. Van 1870 tot 1876 verbleef de familie Haringa van West-Terschelling op het eiland. Bij een hevige storm op 31 januari 1877 werd de lage duinenrij weggeslagen en vader en zoon, die de kudde schapen kwamen weghalen, lieten daarbij het leven. In 1893 werd er voor het laatst gehooid. In latere jaren kwamen er nog vissersfamilies met wat klein vee, voor bot steken en eieren rapen. Begin juli 1912 constateerde Wiegersma mooie grasgroei. In dat jaar bezocht ook Thijsse met een drietal biologen het eiland. De vogelwachters telden 2000 paren grote sterns in 1916. Het jaar daarop kwam er bezoek van het bestuur van Natuurmonumenten. De Vereniging kocht het grasgewas. In 1932 en 1934 vond er een grondige inventarisatie door J.W. van Dieren plaats van de plantengroei. Deze veranderde enorm door de afsluiting van de Zuiderzee in 1932. Ook het zeegras, dat altijd een beschermend vloedmerk vormde, verdween, waardoor het eiland veel kwetsbaarder werd. De betreding van de enorme hoeveelheid sterns deed de flora ook geen goed. In 1944 deden de Duitsers daar trouwens (onbewust) wat aan door enorme hoeveelheden eieren te roven. Er was geen bewaking, omdat dat toen verboden was.

Vogeleiland

Toen het eiland onbewoond was werd het een broedplaats voor duizenden sterns en de verhalen gaan, volgens het boek over Griend, dat ‘vissers en wadschippers er tijdens de broedtijd even aanlegden om zich een ‘eierstruif ’te bakken. De legende gewaagt zelfs van grote tjalken met honderd passagiers, een muziekkorps, acht kruiken jenever en 120 flesjes bier, uitvarende voor ‘een recreatietocht’ naar Griend in de broedtijd.’ Daarom begonnen Natuurmonumenten en Vogelbescherming in 1912 op initiatief van de Terschellinger Rijksveldwachter De Haan met de bewaking. Aanvankelijk was dit alleen in de maand juni, daarna mei tot en met juli en vanaf 1926 van half april tot begin augustus. Ook andere vogels zochten er hun toevlucht, maar het waren toch voornamelijk de sterns die er nestelden. Aanvankelijk stond daar, behalve een aantal kapen voor de zeevaart, waarvan er nu nog één over is, een houten huisje voor de bewakers, later een stenen huisje en toen dat in 1936 door stormen totaal werd vernield, kwam er een huisje op palen.

Vakantie op Griend

En zo ging dus de familie Lettinga in de zomer van 1928 ongeveer drie weken met hun eigen schip, de TS 39, naar Griend. Eigen bedden mee om aan boord te slapen, en verder wat levensmiddelen, zoals wat brood en rijst, en … de geit! De kinders moesten toch melk hebben. Vader roeide zo nu en dan, volgens Eelke, met een vletje naar Terschelling om brood en andere noodzakelijke levensmiddelen op te halen, maar verder konden ze zich redden. Het eerste dat gebeuren moest was dat de oudste broer Aaike ( de vader van Harry Lettinga) de regenbak in moest om hem schoon te maken, want zoet water was natuurlijk wel erg belangrijk. En zoals een Terschellinger zeeman in zijn verlof vaak met zijn bootje thuis gaat varen, zo kon Pieter het natuurlijk niet laten om in het Zwin een botwant te zetten. Trouwens, ze moesten toch eten en het is een bekend verhaal dat de meeste Terschellingers vroeger groot geworden zijn van vis. Ook probeerden ze wel eens een eitje te verschalken, maar daar zaten natuurlijk die twee vogelwachters. Eelke was altijd een beetje bang voor ze. ‘Die ene was zo’n grote donkere man’. Dit moeten de gebroeders Cornelis en Piet Ree geweest zijn, die van 1923 tot 1930 vogelwachter waren. Hierover stond in S.m.l. juni 2001 een verhaal met foto’s van Kobus Bakker. Misschien beschouwden ze die Terschellinger familie ook wel min of meer als indringers, hoewel het waarschijnlijk ook wel weer eens leuk was wat mensen te zien. De TS 39 lag daar mooi in het Zwin en alles was binnen handbereik. De kinderen waren de hele zomer buiten en het water was niet erg diep, hoogstens 1 _ m, maar de kleintjes die nog niet vertrouwd waren werden ‘aan de roop’ gezet, want, aldus Eelke: ‘Vader was dol op al z’n kinders’.

Jammer dat in die tijd nog geen foto’s gemaakt werden. Daar had men het geld niet voor. Maar met enige verbeelding zien we het idyllische tafereel wel vóór ons van die spelende kinderen op het zomerse Griend. Daar kan geen vakantie aan de Spaanse costas tegenop!

De TS 39 in de haven. Waarom Neptunus ernaast opduikt weten we niet (collectie Behouden Huys)

Bronnen:

  • Mondelinge overlevering van Eelke Lettinga
  • Pieter van Leunen, Terschelling en de visserij, ISBN 9070886316
  • Meindert Schroor, Op de loggers, ISBN 9062724310
  • J.W. van Dieren e.a., Griend, het vogeleiland in de Waddenzee, uitg. Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage 1950