Hwa syn tael weismyt, makket syn siel dakloas

Gerrit Knop (1873-1949).

Uit SML jaargang 21 № 3. 2000.

Uit het Themanummer Terschellinger Dialecten

Een buitenstaander zal er vreemd tegenaan kijken: niet één, maar drie dialecten worden er gesproken op Terschelling, een eiland van 30 km lengte, waarvan 15 km bewoond wordt. Je zou haast zeggen, als je er een eenvoudig sommetje van zou maken, op iedere 5 km een ander dialect. Zoals de meeste van onze lezers wel weten zijn dit het Westers, door West-Terschellingers Schylingers genoemd, het dialect van Oost-Terschelling, het Aasters, en dat van Midsland, het Meslânzers. Het wordt ook altijd in deze volgorde genoemd en daarvoor is een speciale reden: Het Westers en Aasters zijn volgens kenners allebei ontleend aan het Fries, terwijl het Meslânzers een mengdialect is dat volgens Gerrit Knop ontstaan is uit een Frankisch dialect met Friese onderlaag. Dit zou in verband staan met het feit dat Midsland vroeger het bestuurscentrum van het eiland was met Hollandse heren. Dat deze dialecten zo lang naast elkaar hebben voortbestaan komt door de betrekkelijke isolatie in vroeger tijden van de diverse leefgemeenschappen, vooral in de tijd dat er nog geen verharde weg was.

Eerste publicaties

De eerste teksten die werden gepubliceerd in dialect waren van de doopsgezinde dominee J.S. Bakker (1802-1863). Geboren te West-Terschelling koos hij eerst het beroep van zeeman en studeerde later voor predikant. In 1830 werd hij op Terschelling beroepen en hij bleef er tot aan zijn dood in 1863. Hij ligt begraven op het oude kerkhof op West. In het Schylingers schreef hij vier gedichten en in 1856, op verzoek van J.H. Halbertsma, ook doopsgezind predikant en een belangrijk taalkundige, vertaalde hij een woordenlijst met 185 woorden van het Nederlands in het Westers. Zijn eerste gedicht was een vertaling van het populaire ‘Aan een gevallen meisje’ van Hendrik Tollens (1807), onder de titel ‘It fallene vamke’. Volgens een theorie van Tineke Steenmeyer-Wielenga in ‘Ds. J.S. Bakker en het Westerschellingers’ dateert dit waarschijnlijk van 1826, het jaar waarin Bakker ‘moest’ trouwen. Het bekendst is het gedicht ‘Oan Schiellinge’, ons tegenwoordige volkslied. Het werd in 1855 gepubliceerd in ‘Swanneblummen’, een Fries jaarboekje en zou later op muziek gezet zijn door een onderwijzer Rotgans, maar zeker is dit niet. Aanvankelijk werd het gezongen op West, maar ook de Aasters gingen het al snel, vanwege de iedere Terschellinger zeer aansprekende tekst, als hun volkslied beschouwen.

Een experiment

Interessant was het experiment in 1871, verzameld in het archief van het P.J. Meertensinstituut voor volkskunde en dialectologie te Amsterdam, waarbij door drie Terschellingers de gelijkenis van de ‘Verloren zoon’ in dialect werdvertaald. Voor het Westers Tekele Zwaal, de bekende onderwijzer, voor het Aasters Iemke C. Ruige en voor het Meslânzers K.J. Lieuwen. De teksten hiervan zijn in 1996 en 1997 gepubliceerd in S.m.l. 17, nr. 2, pag. 111, 18, nr. 1, pag. 49 en 18, nr. 4, pag. 229. In 1996 werd dit project, dat trouwens net als in 1871 voor een groot aantal Nederlandse dialecten werd uitgevoerd, herhaald door de dialectoloog Harrie Scholtmeijer. Kort geleden kwam daarover een boekje uit, waarin van iedere provincie 1 dialect wordt behandeld. Voor Friesland was dit Schiermonnikoog. De rest van de teksten heeft de heer Scholtmeijer nog in de computer en hij is van plan die nog nader uit te werken. In deze teksten kunnen de kenners constateren hoeveel veranderingen er in 125 jaar zijn opgetreden in de dialecten.

De grote drie

In de afgelopen eeuw waren er drie mensen die veel voor de dialecten hebben betekend: Gerrit Knop, Kees Roggen en Jo Smit.

dhr. Knop
dhr. Roggen
dhr. Smit

Gerrit Knop (1873-1949) kan beschouwd worden als de grote voorvechter van het Schylinger dialect met als één van zijn bekendste uitspraken: “Hwa syn tael weismyt, makket syn siel dakloas.” (Harlinger Courant, 9-1-1940).

Zijn jeugd bracht hij door op West, waar hij ook enige jaren onderwijzer was en vanaf 1898 werkte hij in Amsterdam als leraar Duits aan een HBS en hij was directeur van een middelbare handelsavondschool met 900 leerlingen. Plotseling geeft hij dit alles op om zich actief in woord en schrift in te zetten voor het voortbestaan van het Schylingers. Aanvankelijk min of meer verguisd om zijn “liefhebberij” (de meeste mensen keken immers neer op het dialect) ging hij onverstoorbaar door. Het startschot werd gegeven in 1931 met een lezing voor het Nutsdepartement Terschelling (in 1831 opgericht door o.a. ds. Bakker!). Om de eigen mensen te bereiken publiceerde hij in 1935, samen met D., F. en C. Roggen, het ‘Schylgerlâner Leisboek’ met een aantal van z’n gedichten en verhalen. Ook schreef hij in de Harlinger Courant. In 1946 verscheen het standaardwerk ‘Schylgeralân, een beschrijving van land en volk van het eiland Ter-Schelling’ en in 1954 kwam postuum zijn taalkundige verhandeling ‘De spraakkunst der Terschellinger dialecten’. En dan zijn nog niet eens alle publicaties van Knop vermeld.

Cornelis Roggen (1900-1985), geboren in Hoorn, werd ook onderwijzer en later leraar in Amsterdam. Hij publiceerde eveneens in de Harlinger Courant korte verhaaltjes in het Aasters, later uitgegeven als ‘Feteltsjys’, gedichten, toneelstukjes en een beschrijving van het burebier, waarvoor hij in 1970 als eerste de Lutineprijs ontving. Een ander boekje van hem met verhaaltjes en toneelstukjes is getiteld ‘Fon froeger’. Ook verschenen bijdragen van hem in ‘de Toer’, periodiek van de Terschellinger Club in Amsterdam. In 1976 gaf hij een schriftelijke cursus Aasters uit en een woordenboekje Aasters-Nederlands.

Jo Smit (1916-1991) werd geboren in Midsland. Net als Knop en Roggen was hij eerst onderwijzer en later journalist en radioman bij de Rono en de Vara. Na zijn pensionering kwam hij weer op Terschelling wonen, waar hij zich op vele fronten verdienstelijk maakte, o.a. als redacteur van S.m.l.. Hij schreef veel verhalen in het Fries, artikelen in litteraire tijdschriften en verhaaltjes, gedichten en toneelstukken (zelfs een musical) in het Meslânzers. In 1972 publiceerde hij ‘Terschellinger getij’, “een geschiedenis, niet de geschiedenis van Terschelling”, een boek dat net als ‘Schylgeralân’ van Knop als standaardwerk beschouwd kan worden, al waren sommige van zijn veronderstellingen wel eens wat gewaagd. Voor dit boek kreeg hij in 1973 de Lutineprijs.

De anderen

Naast deze drie belangrijke voorvechters van de Terschellinger dialecten willen we nog een aantal anderen noemen, die in proza of poëzie gepubliceerd hebben in één van onze dialecten.

Voor het Schylingers zijn dat Tiny van Noord-Bos (met o.a. het boekje ‘de Nordewyn is altyd kôd’, waarvoor ze in 1984 de Lutineprijs ontving), B.D. Stobbe, Jan Pie, Martha Schol, die behalve een aantal gedichten ook een woordenlijst van het Westers publiceerde, die echter lang niet volledig genoemd mag worden en de naam ‘Woddenboek’ dan ook niet verdient.

In het Aasters schreven nog C. Doeksen, F. Roggen, D. Roggen en Jort Roos.

Jan (John) Lieuwen (de Meslânzer in Amerika) publiceerde in het Meslânzers.

Verder stonden in S.m.l., in ‘de Toer’, het ‘Terschellinger jaarboek’ en ‘de Miedbringer’, regelmatig stukjes van o.a. Cor Swart sr. en jr., Bertus Stobbe, Willemien Weewer, Trijn Swart-Pals, Trijn Alta-Pals, Teunis Schol en Kees Bloem. En dan weet ik zeker dat er nog veel meer namen te noemen zouden zijn, wanneer we alle jaargangen van deze tijdschriften zouden doorbladeren.

Belangstelling

Dat de belangstelling voor de dialecten nog steeds bestaat blijkt tijdens de voordrachtavonden en de toneelvoorstellingen (in alle drie de dialecten!) die onze vereniging organiseert.

Ook werden en worden op de diverse basisscholen lessen gegeven, waardoor de belangstelling bij de jeugd wordt gewekt en het was destijds een mooie manier om het verplichte Fries te ontwijken.

Verder bestaat er op West een actieve conversatieclub ‘Preitse mar Schylingers’ onder aanvoering van Wiesje Zeijlemaker. Ons nieuwe bestuurslid Gert Cupido wil proberen een beginnerscursus Westers in het leven te roepen, waarvoor u zich bij hem kunt opgeven. Om Oost hebben we de ‘Aaster Joonpraters’ geleid door ‘meister’ Richard van der Veen, bekend o.a. door de toneelstukken ‘de Rouwkat’ en ‘Willemyn onder ’e flier’. Ook maakte Richard een lesmethode voor het Aasters. Voor het Meslânzers heeft Jo Smit veel werk verricht. In zijn nalatenschap bevinden zich talrijke aantekeningen voor een woordenlijst, maar die werd nog niet gerealiseerd. De laatste jaren spande onze vereniging zich in voor het verzamelen van Meslânzer woorden, waarmee vooral ons voormalige bestuurslid Bartie Fawcett zich bezighield. Sinds kort is er een groepje Meslânzers: Piet Smit (van Ane), het echtpaar Hille Pals en het echtpaar Jan van Zwol, dat zich eens in de twee weken kritisch over deze lijst buigt en hem nader uitwerkt.

Dan zijn er natuurlijk nog de Terschellinger liedjes die op de diverse oude liedjes-avonden gezongen worden. Vroeger bracht Jaap Kunst hierover een boek uit, onder de titel ‘Terschellinger volksleven’. Jan van der Zee is al jaren bezig er een verzameling van aan te leggen. Hieronder zijn echter een heleboel Nederlandstalige liedjes die in de rest van het land ook bekend zijn.

Wat is de toekomst van de dialecten?

Er zijn nog steeds Terschellingers die onderling dialect spreken en het ook weer aan hun kinderen en kleinkinderen leren. Deze mensen zouden het vreselijk vinden als dat uit het dagelijks leven zou verdwijnen. Toch moeten we vrezen dat overal in het land de dialecten het veld zullen ruimen. De grenzen vervagen: we worden Europeanen. We verplaatsen ons gemakkelijk en communiceren met allerlei moderne middelen, waardoor we niet meer op de kleine leefgemeenschappen van vroeger zijn aangewezen. Verder is er overal veel meer ‘import’ (en dan denk ik nog niet eens aan allochtonen), waardoor de oorspronkelijke bevolking zeer gemengd wordt. In deze moderne wereld zal weldra geen plaats meer zijn voor dialecten in het dagelijks gebruik, hooguit nog als curieus cultuurverschijnsel. Toch werd deze mening onlangs weer tegengesproken in een artikel over streektalen in de ‘Leeuwarder Courant’. Hierin werd beweerd dat dialect juist weer mode wordt ( in reclamespotjes, bij popgroepen, cabaretiers, uitgaven “van bijbel tot stripboek”). Ook de overheid stimuleert het behoud ervan. Een belangrijke uitspraak : “Vroeger wàs je die taal, nu gebruik je die taal.” Het heeft dus toch iets kunstmatigs en als iets weer in de mode raakt is dat ook geen garantie voor de toekomst. Anderen beweren in dit artikel dat het gebruik van dialect in de media funest kan zijn voor onze standaarstaal, het Nederlands dus. De geschiedenis zal ons leren wie er op den duur gelijk krijgt, maar vast staat wèl dat het dialect toch een belangrijk deel is van ons cultureel erfgoed.

Daarom willen we in deze speciale uitgave van ons cultuurhistorisch tijdschrift nog eens een keer een aantal teksten vastleggen in onze drie dialecten. U treft hier een aantal ‘gouwe ouwe’ aan, maar tot onze vreugde was er ook nog een aantal niet eerder gepubliceerde of speciaal voor deze gelegenheid gemaakte bijdragen. Wij hebben geprobeerd de drie dialecten zo eerlijk mogelijk over dit boekje te verdelen. Tot onze spijt werd er niet zoveel in het Aasters aangeleverd, zodat dat dialect wat minder vaak aan de beurt komt. Om aan te geven over welk dialect het in de betreffende tekst gaat, maken we gebruik van de tekeningetjes die altijd in onze boekjes staan over diverse plaatsen en situaties op ons eiland. Helaas was er geen typisch Midslander prentje bij, dus daarvoor hebben we een op ‘e riid kar gekozen.

Voor het Schylingers kozen we:

Voor het Meslânzers:

Voor het Aasters:

Wat de spelling betreft durven we niet te beweren dat die 100% waterdicht is. Richard van der Veen heeft op ons verzoek zijn blik over diverse teksten laten gaan, maar, zoals Gerrit Knop in 1935 in zijn ‘Schylgerlâner Leisboek’ al zei: “Hwa tinkt, dat hy hwat oan te morkjen hat, dy moat syn mule net to gau ependwean. Earst moat hy mar rys oant Ingels tinke. Ynt Ingels schrûwe se eak heapen letters, dy ’t se net útsprekke.” We hebben natuurlijk wel zoveel mogelijk geprobeerd te corrigeren, maar bij voorbeeld in het gedicht van John Lieuwen was dat niet mogelijk. Aangezien er geen vaste spelling voor de dialecten bestaat en omdat , zoals we ons hebben laten vertellen, er op West zelfs verschillen tussen de diverse straten bestaan, zijn we van mening dat het een onmogelijke zaak is om iedereen op het punt van de schrijfwijze tevreden te stellen.

Wetenschappelijke aspiraties hebben we met dit boekje niet. Het is eerder bedoeld als een ode aan onze dialecten en aan diegenen die in de loop van meer dan 170 jaar met veel liefde teksten daarin voor het nageslacht hebben willen vastleggen.

Belangrijke uitgaven in en over de Terschellinger dialecten:

  • Tineke Steenmeijer-Wielenga, Ds. J.S. Bakker en het Westerschellings, Leeuwarden 1972
  • Jaap Kunst, Terschellinger volksleven, ’s- Gravenhage 1915
  • G. Knop, Schylge, Schylger tael en Schylger minsken, lezing, Bolsward 1933
  • G. Knop e.a., Schylgerlâner Leisboek, Dokkum 1935
  • G. Knop, Schylgeralân, een beschrijving van land en volk van het eiland Terschelling, Leiden 1946
  • G. Knop, O Mimmetael, hwat klinkste moai, Bolsward 1949
  • G. Knop, De spraakkunst der Tersch. dialecten, Assen 1954
  • Prof. Dr. J.H. Brouwer, Knop, de roppene, Assen1954
  • C. Roggen, Om Aast, Leeuwarden 1975
  • C. Roggen, Woordenboek van het Oosterschellings, Leeuwarden 1976
  • C. Roggen, Feteltsjys, Leeuwarden 1978
  • C. Roggen, Fon Froeger, Leeuwarden 1980
  • C. Roggen, Woordenlijst Nederlands – Aasters, Leeuwarden 1980
  • Jo Smit, Terschellinger getij, Haren 1972
  • H. T. J. Miedema, Enkele oude overeenkomsten tussen de dialecten van Hindelopen en Terschelling, Nijmegen 1958
  • De Mimmetaal, Schylgelâner Leisboek, Drachten 1966
  • Terschelling rijmt en dicht, uitg S.O.S. Terschelling 1981
  • Tiny van Noord-Bos, De Noardewyn is altyd kôd, Amsterdam 1984
  • Martha van Wichen-Schol, Woddenboek fan et Westers, Leeuwarden 1986
  • Jo Smit e.a., Terschellinger Jaarboek, Stichting Schellinger Erfdeel i984, 1988
  • Ydwine van der Veen, Is er voor het Aasters nog een kerend tij? Scriptie R.U. Groningen, 1987
  • Richard van der Veen, 44 lessen Aasters, Terschelling 1988
  • Artikelen in ‘Cornelis Douwes’, ‘de Miedbringer’, ‘de Toer’, ‘Taal en tongval’ en ‘Schylge myn Lântse’

Dit artikel wordt later nog verder aangevuld …